Algemeen

Gods uitverkoren volk, voorbeeld van genade?

Israël wordt uitverkoren om Gods volk te zijn als voorbeeld van Zijn genade. Het verbond komt vanuit God via Abraham dat later aan het volk bevestigd wordt, zonder dat Israël daar iets voor moest doen, het betrof genade.
Als zij vervolgens wel de beloften wilden ontvangen die bij het verbond horen, dan moesten zij zich wel houden aan bepaalde gedragingen, normen en waarden. Dingen die hen op weg zouden helpen in hun wandel met God door de woestijn en straks in het beloofde land.
Ieder volk kan toetreden tot dit prachtige verbond, maar ook aan het nieuwe verbond dat later kwam. En ook voor de nieuwe toetreders gelden gewoon de beloften en de daarbij horende adviezen.

Jesaja 56:3 (HSV) Laat de vreemdeling die zich bij de HEERE gevoegd heeft, niet zeggen: De HEERE heeft mij geheel en al van Zijn volk gescheiden.

Maar toch ging er iets mis met dit verbond dat vanuit genade kwam. De Israëlieten zijn, in plaats van de genade van dit verbond te verkondigen, zichzelf gaan verhogen op basis van dit verbond alsof zij meer zijn of waren dan de andere volkeren. Zij mochten getuigen zijn van de genade van God die een verbond sluit om niets, maar zij werden (deels) arrogant en dachten een streepje voor te hebben op alle andere volkeren alsof zij beter waren.

Dit kan nooit Gods bedoeling zijn geweest, iets wat we terug zien in het nieuwe testament waarin de schriftgeleerden en Farizeeën zich lieten voorstaan op basis van hun afkomst (Abraham). Alsof het fysiek kinderen van Abraham zijn hen tot uitverkorenen maakte.
Dit probleem is iets wat naast Jezus ook door Johannes de Doper aangekaart wordt. Je afkomst (Abraham/Israël) zegt niets en geeft geen garanties, want God kan uit stenen zelfs nog wel kinderen van Abraham verwekken.

Matteüs 3:1 (HSV) In die dagen trad Johannes de Doper op en hij predikte in de woestijn van Judea, 2 en zei: Bekeer u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. 3 Want deze is het over wie gesproken werd door de profeet Jesaja toen hij zei: De stem van iemand die roept in de woestijn: Maak de weg van de Heere gereed, maak Zijn paden recht. 5 Toen liep Jeruzalem, heel Judea en heel het land rondom de Jordaan naar hem uit, 6 en zij werden door hem gedoopt in de Jordaan, terwijl zij hun zonden beleden. 7 Toen hij velen van de Farizeeën en Sadduceeën op zijn doop zag afkomen, zei hij tegen hen: Adderengebroed! Wie heeft u laten weten dat u moet vluchten voor de komende toorn? 8 Breng dan vruchten voort in overeenstemming met de bekering, 9 en denk niet dat u bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham als vader; want ik zeg u dat God zelfs uit deze stenen voor Abraham kinderen kan verwekken.

Johannes 8:39 (HSV) Zij antwoordden en zeiden tegen Hem: Abraham is onze vader. Jezus zei tegen hen: Als u Abrahams kinderen was, zou u de werken van Abraham doen. 40 Maar nu probeert u Mij te doden, een Mens Die de waarheid tot u gesproken heeft, die Ik van God gehoord heb. Dat deed Abraham niet. 41 U doet de werken van uw vader. Zij zeiden dan tegen Hem: Wij zijn niet geboren uit hoererij; wij hebben één Vader, namelijk God. 44 U bent uit uw vader de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van het begin af, en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij vanuit wat van hemzelf is, want hij is een leugenaar en de vader van de leugen. 45 Maar Mij, omdat Ik de waarheid spreek, Mij gelooft u niet.

Als we de situatie rondom met verbond met Israël nu eens doortrekken in een hedendaags voorbeeld gaan we de gevolgen beter begrijpen van wat er gebeurde in het oude en nieuwe Testament.
Stel je een school voor met allemaal kinderen en ze zijn allemaal wel eens ongehoorzaam en halen regelmatig allemaal wel eens rottigheid uit. Dan bemerken alle kinderen op dat ze misschien wel te ver zijn gegaan en ze zien de bui en de straf van de onderwijzers al boven hun hoofd hangen.
Stel je neemt vervolgens als leraar of lerares er één groepje tussenuit om openlijk te tonen dat ze ondanks wat ze doen toch gewoon vrij naar de onderwijzers mogen zonder straf, en dat je het zelfs liever hebt dat ze komen en dat als zij zich gedragen en houden aan een aantal gedragsregels, dat zij bepaalde beloften kunnen verwachten. Je vraagt ze vervolgens dit ook door te geven aan de andere groepjes met kinderen, en de individuele kinderen die niet tot een groepje behoren.
Klinkt als goed nieuws voor deze kinderen toch? Zullen ze dit niet in blijdschap delen met de andere kinderen die met hun verzwaarde geweten ver uit de buurt van de onderwijzers proberen te blijven?

Wat denk je dat er vervolgens gebeurt als dit groepje vervolgens zich helemaal niet houdt aan de gedragsregels, en dus al hun beloftes ook mislopen, maar desondanks zij genoegen nemen met het feit dat zij als enige groepje waren aangesproken en beloften hadden ontvangen?
Zij zullen zich misschien wel beter gaan voelen dan de rest terwijl zij echt niets beter zijn; ‘De leraren waren toch niet boos op hen, en ze kregen zelfs beloften!’ kun je ze misschien horen denken?
Ze zijn misschien in dit geval zelfs erger af, want zij hadden moeten doorgeven aan de rest dat de vrijmoedigheid er altijd is om tot de leraren en leraressen te gaan ondanks hun verkeerde gedrag. En zij hebben nagelaten de beloften door te geven die hangen aan goed gedrag en de gedragsregels die daarbij horen.
Wie is er nu dan slechter af? Zij die denken speciaal te zijn en nu eigenlijk dubbel ongehoorzaam? Of zij die onwetend zijn gebleven in alles?

Zo heeft misschien in de werkelijkheid het volk Israël constant zich niet gehouden aan het verbond met God dat zij hadden moeten verkondigen. Gods spreekt herhaaldelijk over hun ongehoorzaamheid en hoererij en verafschuwen van Zijn verbond met hen. Een verbond dat aan hen was gegeven, maar ook voor de rest van de volkeren geldt die het aanhoren, en vervolgens naderen tot God in een levende relatie.

Richteren 2:11 (HSV) Toen deden de Israëlieten wat slecht was in de ogen van de HEERE en zij dienden de Baäls. 12. Zij verlieten de HEERE, de God van hun vaderen, Die hen uit het land Egypte had geleid, en gingen achter andere goden aan, goden van de volken die rondom hen woonden. Zij bogen zich voor hen neer en verwekten de HEERE tot toorn. 16. En de HEERE deed richters opstaan, die hen verlosten uit de hand van hen die hen plunderden. 17. Zij luisterden echter ook niet naar hun richters, maar gingen als in hoererij achter andere goden aan en bogen zich voor hen neer. Al snel waren zij afgeweken van de weg die hun vaderen gegaan waren, toen die luisterden naar de geboden van de HEERE. Zíj deden zo niet.

Maar zij hebben gedaan wat zij voor de belofte ook al deden en dat is achter de afgoden van Egypte en het beloofde land aanlopen. En daarnaast maakte zij bergen met regels en geboden waarmee de mensen nog verder van God werden afgehouden zoals de meeste religies doen. Zij creëerde net als onder aan de berg van God een afgod, een alternatief beeld van God dat hun uit Egypte zou hebben bevrijdt. Een God net als de goden in Egypte, eentje van woede, oordeel, bloedoffers en heel veel rituelen en wetten, een totaal andere God en Vader dan Jezus ons komt tonen in het nieuwe testament. God wil een Vader zijn, een man die voor hen zal zorgen maar zij verkozen liever een Heerser, namelijk Baäl. Ze noemden zelfs de gegeven naam van God niet meer (Yahweh) maar noemde hun afgod “Heer”.

Exodus 32:3 (HSV) Toen rukte heel het volk de gouden ringen die ze in hun oren hadden, af en zij brachten ze bij Aäron. 4. Hij nam ze van hen aan, hij bewerkte ze met een graveerstift en maakte er een gegoten kalf van. Toen zeiden zij: Dit zijn uw goden, Israël, die u uit het land Egypte geleid hebben.

Hosea 2:14 (HSV) Ik zal haar daarvandaan haar wijngaarden geven, en het Dal van Achor tot een deur van hoop. Daar zal zij zingen als in de dagen van haar jeugd, als op de dag dat zij wegtrok uit het land Egypte. 15. Op die dag zal het gebeuren, spreekt de HEERE, dat u Mij zult noemen: mijn Man, en Mij niet meer zult noemen: mijn Baäl! 16. Dan zal Ik de namen van de Baäls uit haar mond wegdoen en aan hun namen zal niet meer gedacht worden.

Daarmee was er geen verschil meer, alleen dan dat zij door hun ongehoorzaamheid de beloften misliepen die zij hadden kunnen ontvangen. En het verschil dat zij zich beter of anders voelden dan de anderen die niet rechtstreeks waren aangesproken.
Want wat als er een groepje op het schoolplein wordt aangesproken en daarna gaat verkondigen aan de andere groepjes dat zij waren uitverkoren om met de onderwijzers te praten zonder dat zij daarna straf kregen? En dat zij ook nog daarbij benadrukken dat ze zelfs beloften hadden gekregen en die vervolgens voor zichzelf houden?

Wat zullen de andere groepjes van kinderen vinden van dit ene groepje die zich apart zet? (heiligt), want heiligen betekend apart zetten. De andere groepjes zullen dat ene groepje arrogant gaan vinden en gezamenlijk daarin een vijand vinden. Daarmee zijn zij nu dubbel zo slecht af, ze lopen mis wat hun belooft is door hun eigen houding en gedrag, en zij worden nu ook nog eens belaagd door de andere groepjes.

Heeft Israël daarom niet de jaloersheid over zich heen gekregen van de gehele wereld, en dat terwijl zij de genade van een prachtig verbond hadden mogen verkondigen, waarna men tezamen als gelijken zouden opgaan naar het Hemelse Jeruzalem om daar God de Vader te zien?
En dat zij vervolgens allemaal veranderd mogen worden door die levende relatie met God die hen onderwijst en waarna iedereen de beloften ontvangt die daarbij hoort? De belofte van werkelijk leven en ware liefde die alleen uit de verbinding met de bron van leven en liefde tot stand kan komen?

Romeinen 3:9 (HSV) Wat dan wel? Zijn wij voortreffelijker? Beslist niet! Wij hebben immers zojuist én Joden én Grieken beschuldigd dat zij allen onder de zonde zijn, 10 zoals geschreven staat: Er is niemand rechtvaardig, ook niet één,

Maar om nu niet de Israëlieten neer te zetten als de enige boeman onder de volkeren kunnen wij op dezelfde wijze nu kijken naar onszelf als Christenen. Ook wij verkondigen de ware oogappels van God te zijn op basis van onze leefstijl, leer en geschriften en hebben van God een “Heer” of “Heerser” gemaakt. Een boze man die op zijn wolk ons tot allerei regels en rituele dwingt zodat hij tevreden gesteld kan worden. De rest zit er volgens veel christelijke stromingen naast en leeft in de leugen en zou niet leven in harmonie met Gods. En dat terwijl wij geen harten kunnen lezen en kunnen oordelen op dat wat voor ogen is. Wat als anderen met het beperkte wat voor handen is meer vertrouwen op Gods genade dan degene die zeggen Gods genade te hebben ontvangen? Zij die zeggen de genade te hebben ontvangen en vervolgens voor zichzelf zijn gaan houden door deze te beperken met allerlei normen, waarden, regels, tradities etc.

Maar zo zijn er ook zat andere bevolkingsgroepen of religies die exact hetzelfde zijn gaan doen en zichzelf superieur zijn gaan noemen met hun “Heer” als God met hun gebruiken, tradities, geschriften, en wetten met alle ellende een gevolgen van dien. Zodra iemand zich uitverkiest boven de ander alsof God onderscheid maakt in welke mensen Hij liefheeft, en voor welke mensen Hij genadig is, dan ontstaan er altijd problemen. Zodra iemand zich superieur gaat vinden gaat diegene altijd denken voor God te moeten strijden, denken, spreken en handelen waarmee er gestampt wordt op hen die niet horen tot de “uitverkoreren” op basis van menselijke inzichten en bepalingen.

Iedereen komt met zijn lijst van uiterlijke gedragsregels, gewoonten en leerstellingen waar je “ja” op moet zeggen waardoor je hun vorm van “genade” ontvangt alsof het dan nog genade betreft en het geen nieuwe verkapte vorm van eigen werken is geworden.
Maar door gebrek aan geloof in de genade, en dat het echt is volbracht, verlangt de mens altijd weer naar meetbare kenmerken en punten die we kunnen afvinken om zekerheid te verwerven dat wij onder de genade vallen. Op die manier wordt geloof (vertrouwen) weer vervangen door een vorm van schijnzekerheid en zekerheden.

Laten wij daarom niet gelijkvormig worden aan de wereld (het oude Egypte) maar laten wij de slavernij afgooien en de levende God aanhangen. Laten we niet weer God op de proef stellen met onze eigen werken en godsbeelden die niet voldoen om acceptabel voor God te worden maar waardoor we wel weer de genade afwijzen en wederom op eigen werken overgaan.

Hebreeën 3:12 (HSV) Zie erop toe, broeders, dat er nooit in iemand van u een verdorven hart zal zijn, vol ongeloof, om daardoor afvallig te worden van de levende God.

1 Timoteüs 4:10 (HSV) Want daarvoor spannen wij ons ook in en worden wij gesmaad, omdat wij onze hoop gevestigd hebben op de levende God, Die een Behouder is van alle mensen, in het bijzonder van de gelovigen.

Christus gaf Zijn leven aan iedereen, en iedereen leeft doordat Hij Zijn Woord in ieder mens heeft ingeblazen. Door Zijn Woord kwamen wij tot stand, Hij gaf ons adem en een naam. Wij zijn omdat Hij is. Wij leven door genade, niet doordat wij onszelf hebben gemaakt of gered.

1 Johannes 4:9 (HSV) Hierin is de liefde van God aan ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat wij zouden leven door Hem.

Laten wij geen onderscheid meer maken tussen de Jood en de Griek (heiden) alsof God de ene boven de andere heeft uitverkoren. God is rechtvaardig en zet iedereen op dezelfde lijn en dezelfde hoogte met Hem. En vervolgens gaat Hij in Zijn liefdevolle genade er pal naast staan op dezelfde lijn omdat alles één is. Wie zich verhoogd zal Hij vernederen totdat deze weer op de lijn is. Wie vernederd is zal Hij verhogen zodat ook die weer op dezelfde lijn is.

Lucas 14:11 (HSV) Want ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden en wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.

Zo komt alles weer terug in rechtvaardigheid wat een rechte weg en een rechte lijn betreft.
Dat is Liefde, dat is Genade en dat is rechtvaardigheid.

Kolossenzen 3:11 (HSV) Daarbij is niet Griek en Jood van belang, besnedene en onbesnedene, barbaar en Scyth, slaaf en vrije, maar Christus is alles en in allen. 12 Kleedt u zich dan, als uitverkorenen van God, heiligen en geliefden, met innige gevoelens van ontferming, vriendelijkheid, nederigheid, zachtmoedigheid, geduld. 13 Verdraag elkaar en vergeef de een de ander, als iemand tegen iemand anders een klacht heeft; zoals ook Christus u vergeven heeft, zo moet ook u doen. 14 En kleedt u zich boven alles met de liefde, die de band van de volmaaktheid is. 15 En laat de vrede van God heersen in uw harten, waartoe u ook in één lichaam geroepen bent; en wees dankbaar.

Laten we daarom niemand uitverkoren noemen boven de ander, want wij kunnen geen harten lezen. Laten wij geen afgod aanbidden die ons als een Heerser aanzet tot het veroordelen, benadelen en uit elkaar drijven van anderen. Laten wij de eenheid zoeken, God is die éénheid en Hij is in een ieder van ons te vinden als je maar voorbij het Griekzijn, Joodzijn, besneden of onbesneden etc. kunt kijken. Kijk naar de ander zoals Christus ook naar ons kijkt.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *